Leerplan als motor om beweging te brengen in het beeldend onderwijs

Leerplan als motor om beweging te brengen in het beeldend onderwijs

Veertig pabo-docenten, -studenten en andere geïnteresseerden kwamen bijeen in Utrecht. Naast aandacht voor het ‘leerplan Beeldende kunst en vormgeving’, was het doel om bovenstaande geïnteresseerden bijeen te brengen om te praten over de inhouden van het beeldende vak in het primair onderwijs.

 

We startten de dag met twee inspirerende lezingen:

Gerrit Breeuwsma keek vanuit de ontwikkelingspsychologie naar de kunstzinnige ontwikkeling van kinderen. Hij sprak over het handelen in een werkproces als fysiek kennis opdoen, over belichaamde cognitie.
Diederk Schönau reageerde op het leerplan door op het cirkelschema te focussen en de vijf zwarte Eefjes te doorlopen. Hierna richtte hij zich op het beoordelen.
Na de pauze gingen de aanwezigen met elkaar in discussie aan de hand van vier gepresenteerde stellingen. Door die stellingen werden meerdere facetten van het leerplan besproken. De meeste aanwezigen waren het er wel over eens dat het leerplan een goede leidraad is, bijvoorbeeld om als inspiratie te dienen voor het curriculum van een school.
Het leerplan dient als kader, als moreel geweten, als motor om beweging te brengen in het beeldend onderwijs
Het leerplan ook praktisch bruikbaar?
Een mooi voorbeeld met betrekking tot de vraag of het leerplan ook praktisch bruikbaar kan zijn, kwam van een pabodocente die met haar tweedejaars studenten de eerste vijf Eefjes in studiegroepjes onderzocht. Als afsluiting hadden zij hun bevindingen gepresenteerd. Ze vertelde dat de groepjes waren verdwaald, doordat het leerplan zo veel en zo breed is. De studenten waren wel verrast door de inhoud van het vak. Bij het onderzoek was tijd met betrekking tot de haalbaarheid een knelpunt.
Tijd is ook bepalend voor het competent worden van pabostudenten om het beeldende vak adequaat te kunnen geven. Wanneer theorie en praktijk niet zijn geland, is het leerplan wel erg abstract. Veel pabodocenten komen in de knoop door tijdgebrek. Zet je in op de vaktheorie of duik je met je leerlingen in de praktijk?

Om alles wat gezegd is te benoemen, past niet binnen dit verslag. Wel kwamen bepaalde opmerkingen en vragen vaker voorbij, dus die zullen we vermelden:
• Sommigen vonden het accent te veel liggen op reflectie ten opzichte van het creëren.
• Waarom nog een leerplan? Er zijn er al zo veel.
• Waarom hanteert het leerplan een ander didactisch model dan bijvoorbeeld ‘Laat maar zien’?
• Voor pabostudent en leerkracht in het Primair Onderwijs zou het plan inzichtelijker en beter hanteerbaar moeten zijn.
• Een ideaal leerplan zou meetbaar moeten zijn
• Het zelf beoordelen van het proces en of de ontwikkeling van leerlingen in de leerlijn?
Het bespreken van het leerplan met mensen uit het veld (met Wim Burggraaf van het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap als toehoorder en aangever), waarbij ieder vanuit zijn expertise bijdroeg, heeft bepaalde zaken boven water gebracht, die we hier graag onder de aandacht willen brengen:
In een onderwijsbestel waar alle scholen zelf de vakinhoud mogen bepalen, met als enig criterium drie vage kerndoelen, heeft de beroepsgroep behoefte aan inhoudelijke discussie.
En met de wetenschap dat er nu veel in gang is gezet, meent de beroepsgroep dat zij nu aan zet zijn! Zij kunnen de onderwijsinspectie, die vanaf 2015 cultuureducatie gaat monitoren,  handvatten geven om de beeldende vakken te beoordelen. Ook willen ze graag meedenken met de leerlijn die ontwikkeld gaat worden door het SLO.

Tot slot
Wat duidelijk is na deze studiedag, is dat het leerplan vakmensen bij elkaar heeft gebracht die zich willen inzetten om het mogelijk te maken dat leerlingen in het Primair Onderwijs, wel of niet met behulp van een leerplan, aan de hand van een beeldend werkproces vaardigheden en kennis kunnen opdoen.

Volgende artikelVONKC stuurt brief aan minister Bussemaker
Vorige artikeladvies ‘Kiezen voor kwalitatief goede leraren’